Bottransplantatie

Indien er voor het plaatsen van een implantaat onvoldoende kaakbot aanwezig is, kan in een aparte behandeling een bottransplantatie plaatsvinden. Er kan (meestal) onder plaatselijke verdoving bot genomen worden vanuit de bovenkaak, kaakhoek of uit de kin, dat wordt verplaatst naar de locatie waar aan aantal maanden later het implantaat kan worden geplaatst.

 

Behandeling

De bottransplantatie vindt onder plaatselijke verdoving plaats. 1 uur voor de geplande behandeling neemt u 2 tabletten antibioticum en spoelt u de mond gedurende 1 minuut met chloorhexidine mondspoelmiddel. U krijgt hiervoor een recept van uw arts. Na de verdoving wordt u tijdens de behandeling afgedekt met een steriele doek. De kaakchirurg schuift het tandvlees opzij op de plaats waar later het implantaat moet komen, zodat hij/zij kan beoordelen hoe groot het bottransplantaat dient te zijn.

 

Vervolgens neemt de kaakchirurg vanuit de bovenkaak, kaakhoek of de kin het stukje bot dat noodzakelijk is om de kaak te verbreden of te verhogen. Dit gebeurt met een boortje of beiteltje. Deze wondjes worden vervolgens gehecht met oplosbaar hechtmateriaal. Het bottransplantaat wordt hierna met een schroefje vastgezet tegen de kaak (verbreden) op de plek waar later het implantaat moet komen. Deze wond wordt gesloten met niet-oplosbaar hechtmateriaal, dat na 2 weken wordt verwijderd door de kaakchirurg.

Soms is het niet nodig te kaak te verbreden, maar te verhogen. In de bovenkaak is dit soms het geval als uw bijholte dichtbij is komen te liggen na het verlies van een kies. Hierdoor is er nog onvoldoende bothoogte aanwezig om het implantaat te kunnen plaatsen. In dit geval wordt er een klein luikje aan de zijkant van de bijholte gemaakt en wordt het slijmvlies van de bijholte omhoog gebracht (een zogenaamde sinusbodem elevatie). Hieronder wordt het bottransplantaat aangebracht, soms aangevuld met kunstbot. Deze wond wordt gesloten met niet-oplosbaar hechtmateriaal, dat na 2 weken wordt verwijderd door de kaakchirurg. Heel belangrijk is dat u na deze behandeling drukverschillen voorkomt en gedurende 2 weken niet uw neus snuit. Verder mag u alleen niezen met de mond open en bijvoorbeeld geen blaasinstrumenten bespelen of ballonnen opblazen.

 

6 en 12 uur na de behandeling neemt u opnieuw een tablet antibioticum. Het gebied waar het bottransplantaat is aangebracht mag u de eerste 2 weken nog niet poetsen. Na het poetsen van de rest van het gebit spoelt u na met chloorhexidine mondspoeling met nadruk op het gebied waar het transplantaat is geplaatst. Na het verwijderen van de hechtingen krijgt u nieuwe mondhygiëne instructies en kunt u meestal stoppen met het spoelmiddel. Het gebied waar het transplantaat vandaan is gehaald mag u vanaf de dag na de behandeling voorzichtig mee poetsen. Deze hechtingen lossen na ongeveer 2 weken vanzelf op.

 

Nabezwaren

In de eerste uren na de behandeling kan zwelling ontstaan in de mond en de wang. U kunt deze zwelling tegengaan door de eerste uren te koelen met bijvoorbeeld een koelelement in een handdoek. U kunt dit afwisselend 10 minuten op en 10 minuten af tegen de wang leggen. Tevens neemt u de voorgeschreven pijn medicatie regelmatig in. De zwelling kan de eerste dagen nog wat toenemen en neemt na ongeveer 3 dagen weer langzaam af.

 

Vervolg

Na een aantal maanden komt u terug bij de kaakchirurg en zal hij/zij, aan de hand van de situatie in uw mond en een röntgenfoto, beoordelen of de bottransplantatie tot het gewenste resultaat heeft geleid en het plaatsen van het implantaat gepland kan worden.